De Miljoenennota 2027 verzacht enkele voorgenomen ingrepen in de sociale zekerheid. De verlaging van het maximumdagloon vervalt. De verkorting van de WW en de afschaffing van de compensatieregeling transitievergoeding worden een jaar uitgesteld. Daarmee ontstaat ruimte voor overleg over een sociaal akkoord. De druk op de WIA en de uitvoering bij UWV blijft echter groot. Voor het casemanagementvak verschuift de aandacht naar de uitwerking van hervormingen, de verdeling van werkgeverslasten en de inkomenspositie bij langdurige arbeidsongeschiktheid.
Onder de titel Welvaart opnieuw verdienen zet het kabinet in op economische groei, hogere arbeidsdeelname en productiviteitsverbetering. Vergrijzing en stijgende zorg- en socialezekerheidsuitgaven vormen de aanleiding. Voor onze beroepspraktijk zijn vooral de keuzes rond werkbehoud, re-integratie en inkomensbescherming relevant. Hieronder volgen de maatregelen en begrotingsontwikkelingen die daarop ingrijpen. Waar wetswijzigingen nodig zijn, blijven parlementaire behandeling en overgangsrecht bepalend.
Sociale zekerheid en zorg domineren de begroting
Voor 2027 begroot het kabinet 516,8 miljard euro aan uitgaven en 481,2 miljard euro aan inkomsten. Sociale zekerheid en arbeidsmarkt vormen met 132,4 miljard euro de grootste uitgavencategorie, gevolgd door zorg met 125,6 miljard euro. Het kabinet wil de groei van deze uitgaven beheersen om ruimte te houden voor investeringen. Daarmee blijft hervorming van de sociale zekerheid nadrukkelijk op de politieke agenda, ook nu verschillende bezuinigingen worden verzacht of uitgesteld.
Ruimte voor een sociaal akkoord
Minister Heinen geeft werkgevers en werknemers ruimte om alternatieve hervormingen uit te werken. De troonrede verbindt de herziening van werknemersverzekeringen aan het vergroten van arbeidsdeelname. Een uitgewerkt sociaal akkoord ligt er nog niet. De aanpassingen in de begroting moeten het overleg mogelijk maken.
Voor casemanagers is vooral van belang hoe nieuwe afspraken uitwerken bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, wisselende belastbaarheid en werkhervatting. Daarbij horen ook de benutting van de restverdiencapaciteit en de inkomensgevolgen van overgangen tussen uitkeringsfasen. Een sociaal akkoord zal bovendien duidelijkheid moeten bieden over de verantwoordelijkheden en financiële risico’s van werkgevers, werknemers en uitvoerders.
Voor het casemanagementvak is daarbij van belang dat de discussie niet alleen gaat over de inrichting en betaalbaarheid van uitkeringen nadat iemand is uitgevallen. Preventie, gezond werk, duurzame inzetbaarheid, tijdige begeleiding en effectieve re-integratie bepalen mede hoeveel mensen langdurig uitvallen en uiteindelijk een beroep doen op de WIA. De praktijkervaring van casemanagers kan in het sociaal akkoord juist de verbinding leggen tussen preventie, verzuimbegeleiding, werkhervatting en sociale zekerheid.
Verlaging van het maximumdagloon vervalt
De voorgenomen verlaging van het maximumdagloon met 20 procent wordt geschrapt. Dit betreft de WIA, WAO, WW en ZW en bepaalde verlofuitkeringen waarop het maximumdagloon van toepassing is. Vooral voor werknemers met een loon rond of boven het maximumdagloon voorkomt dit een forse versobering.
Inkomensscenario’s waarin de verlaging al was verwerkt, moeten worden aangepast. Dat geldt ook voor advisering over de aansluiting op aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en cao-aanvullingen. Het behoud van het maximumdagloon neemt deze aangekondigde versobering weg; de dekking van aanvullende regelingen blijft afhankelijk van de polis- en cao-voorwaarden.
Kortere WW verschuift naar 2029
De verkorting van de maximale WW-duur van 24 naar 12 maanden verschuift van 2028 naar 2029. De overige voorgenomen WW-maatregelen blijven voor 2030 voorzien: een strengere referte-eis, dus strengere eisen aan het recente arbeidsverleden, een hogere uitkering in de eerste twee maanden en een tragere opbouw van WW-rechten.
Dit is relevant voor inkomensscenario’s na einde wachttijd, onder meer voor 35-minners: werknemers die voor de WIA minder dan 35 procent arbeidsongeschikt worden beoordeeld en daardoor geen WIA-uitkering krijgen. Als zij hun werk verliezen, kunnen zij op de WW zijn aangewezen. De voorgenomen duurverkorting geldt in de kabinetsplannen ook voor de loongerelateerde WGA-uitkering (LGU) en schuift eveneens naar 2029. De wijzigingen gelden voor nieuwe uitkeringen vanaf de datum van inwerkingtreding. Voor WGA-gerechtigden betekent een kortere LGU dat zij eerder doorstromen naar de loonaanvullings- of vervolguitkering. Dat kan gevolgen hebben voor het inkomen, vooral als de restverdiencapaciteit nog niet of onvoldoende wordt benut.
Afschaffing tegemoetkoming arbeidsongeschikten naar 2029
De voorgenomen afschaffing van de jaarlijkse tegemoetkoming arbeidsongeschikten schuift opnieuw een jaar op, van 1 januari 2028 naar 1 januari 2029. De tegemoetkoming is bedoeld voor mensen met een WAO-, WIA-, WAZ- of Wajong-uitkering die aan de voorwaarden voldoen. Voor het uitstel is incidenteel 311 miljoen euro aan extra uitkeringslasten geraamd. Het betreft uitstel, geen structureel behoud; voor meerjarige inkomensscenario’s blijft de voorgenomen afschaffing daarom relevant.
Afschaffing compensatie transitievergoeding naar 2028
De voorgenomen afschaffing van de compensatieregeling transitievergoeding (CRTV) verschuift van 1 januari 2027 naar 1 januari 2028. De regeling compenseert werkgevers onder voorwaarden voor de betaalde transitievergoeding, onder meer bij beëindiging van het dienstverband na langdurige arbeidsongeschiktheid. De begroting gaat daarnaast in op compensatie bij bedrijfsbeëindiging wegens pensionering of overlijden van de werkgever. Dit is de actuele stand na verschillende eerdere wijzigingen van het voorstel.
De transitievergoeding zelf staat hiermee niet ter discussie; de maatregel raakt de compensatie aan de werkgever. Voor de advisering rond beëindiging na langdurige arbeidsongeschiktheid zijn vooral de definitieve afbakening en het overgangsrecht van belang. Het uitstel geeft werkgevers meer voorbereidingstijd, maar de voorgenomen financiële lastenverschuiving blijft staan.
Geen strengere koppeling tussen AOW en levensverwachting
De voorgenomen directe één-op-éénkoppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting is definitief geschrapt. De bestaande koppeling tussen AOW-leeftijd en levensverwachting blijft wel bestaan. Voor advisering over duurzame inzetbaarheid en de laatste loopbaanfase vervalt daarmee de aangekondigde aanscherping als uitgangspunt.
WIA-uitgaven blijven groeien
De WIA-uitgaven stijgen tussen 2026 en 2031 naar verwachting met circa 2,8 miljard euro in constante prijzen, inclusief de reservering op de Aanvullende Post. De stijging wordt vooral verklaard door het verder ingroeien van de WIA en de groei van het aantal verzekerden. Daartegenover staan dalende uitgaven aan de aflopende WAO en WAZ.
Voor WIA, WAO en WAZ samen bedraagt de nominale stijging circa 5,6 miljard euro. Daarvan betreft ongeveer 3,3 miljard euro indexatie. Ook werkgeverspremies over uitkeringen verhogen de uitgaven. Deze uitsplitsing is relevant in de discussie over WIA-instroom: de budgetgroei weerspiegelt zowel volumeontwikkeling als indexatie en premielasten.
WIA-beoordelingen en herstelacties
Langere wachttijden voor WIA-beoordelingen leiden tot hogere voorschotuitgaven. De begroting houdt daarmee rekening, maar bevat geen concrete toezegging over het terugdringen van die wachttijden. De onzekerheid bij einde wachttijd blijft dus een wezenlijk onderdeel van de dossierregie, met aandacht voor voorschotten, beschikkingen en de aansluiting op verdere re-integratie.
De tijdelijke vergoedingsregeling rond loonloze tijdvakken en herstelacties voor WIA-daglonen en WIA-indexatie loopt tot en met 2027. Het gaat daarbij onder meer om situaties waarin perioden zonder loon ongunstig hebben doorgewerkt in de dagloonberekening en om dossiers waarin eerdere berekeningen of indexaties worden hersteld. Herstelbeschikkingen en nabetalingen blijven daarmee ook komend jaar relevant. De genoemde looptijd is geen garantie dat alle individuele dossiers eind 2027 zijn afgewikkeld.
Tegelijkertijd wordt het wetsvoorstel modernisering vorderingenbeleid een jaar uitgesteld. De implementatiemiddelen voor de aanpak van keteneffecten bij nabetalingen schuiven mee. Bij herstelbetalingen blijft de doorwerking in toeslagen en andere inkomensafhankelijke regelingen daarom een aandachtspunt.
Hervorming van de WIA: IVA, taakherschikking en herbeoordelingen
Naast de herstelacties blijft een structurele hervorming van de WIA op tafel. In de huidige kabinetsplannen vervalt de IVA vanaf 2030 voor nieuwe aanvragen. Mensen die op het moment van invoering al een IVA-uitkering ontvangen, zouden die behouden. Het doel is de beoordeling eenvoudiger te maken: bij volledige arbeidsongeschiktheid hoeft dan niet meer afzonderlijk te worden vastgesteld of die arbeidsongeschiktheid duurzaam is. De maatregel vraagt wetswijziging en is dus nog niet definitief. Bovendien kunnen in het overleg met sociale partners alternatieven voor de hervorming van het stelsel worden uitgewerkt.
Om de schaarse verzekeringsartsencapaciteit anders in te zetten, werken SZW en UWV daarnaast aan taakherschikking. Daarbij kunnen bepaalde onderdelen van de sociaal-medische beoordeling zelfstandig door andere bevoegde professionals worden uitgevoerd, in plaats van uitsluitend onder verantwoordelijkheid van een verzekeringsarts. Waar wettelijke bevoegdheden verschuiven, is aanpassing van wet- en regelgeving nodig. Taakherschikking gaat daarmee verder dan taakdelegatie, waarbij de verzekeringsarts verantwoordelijk blijft.
Ook wordt gewerkt aan strengere en doelmatiger voorwaarden voor herbeoordelingen. Een aanzienlijk deel van de aangevraagde herbeoordelingen leidt nu niet tot een andere uitkeringsklasse, terwijl iedere aanvraag beslag legt op schaarse beoordelingscapaciteit. Voor de casemanagementpraktijk maakt dit een goede onderbouwing van de aanvraag nog belangrijker: de aanleiding, veranderingen in de belastbaarheid en de beschikbare onderbouwing moeten duidelijk op elkaar aansluiten. Hoe de voorwaarden precies worden vormgegeven, moet nog worden uitgewerkt.
Uitvoeringsopgave UWV tegenover budgettaire taakstellingen
In 2026 wordt circa 99 miljoen euro aan uitvoeringsmiddelen van UWV afgeroomd vanwege een lagere verwachte besteding en vrijvallende reserveringen. Daarnaast verschuift 41 miljoen euro van 2027 naar 2031. De taakstellingen op het rijksapparaat worden bovendien deels ingevuld met kortingen op de uitvoering door UWV en SVB.
De totale premiegefinancierde uitvoeringskosten van UWV en SVB nemen tussen 2026 en 2031 wel toe, grotendeels door indexatie en deels door meer gebruik van regelingen. Beslissend voor de praktijk is hoeveel capaciteit resteert voor beoordelingen, herstelacties en de invoering van nieuwe wetgeving. De begroting maakt niet duidelijk hoe snel de beoordelingsachterstanden daarmee kunnen worden ingelopen.
Raad van State kritisch over hogere Aof-premie
Het kabinet verhoogt in 2027 de premie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof). De Raad van State is daar kritisch over: het fondsvermogen is volgens zijn analyse gegroeid van minder dan 1 miljard euro in 2015 naar bijna 45 miljard euro in 2026. Een verdere premieverhoging om redenen buiten de sociale verzekeringssfeer vindt de Raad moeilijk te rechtvaardigen. Hij vraagt om een dragende motivering of aanpassing.
De Raad schat dat uiteindelijk ongeveer 75 procent van de premieverhoging economisch bij werknemers terechtkomt. De discussie betreft daarmee zowel werkgeverslasten als de bredere belasting van arbeid. Een hogere Aof-premie vertaalt zich niet vanzelf in extra middelen voor preventie, re-integratie of beoordelingscapaciteit.
Het kabinet verdedigt de lastenverdeling en verwijst naar een aangekondigde Kamerbrief over de toekomstbestendigheid van de sociale fondsen. Daarin moeten ook de hoogte en functie van werkgeverspremies worden betrokken. Voor het vakgebied is dit een relevant vervolg op de discussie over de financiering van arbeidsongeschiktheid.
Meer ruimte voor maatwerk bij handhaving
Het wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid moet UWV, SVB en gemeenten meer ruimte geven om persoonlijke omstandigheden te betrekken bij boetes en terugvorderingen. De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2027. Het geraamde effect bedraagt jaarlijks 20 miljoen euro aan hogere uitkeringslasten, verdeeld over onder meer WGA, IVA, ZW, WW en Wajong.
Voor de casemanagementpraktijk is vooral de toepassing bij beperkte zelfredzaamheid en complexe problematiek relevant. Een goede onderbouwing van de omstandigheden en verwijtbaarheid kan daarbij zwaarder gaan wegen. De concrete ruimte volgt uit de definitieve wet en het uitvoeringsbeleid.
Andere financiering voor duurzame inzetbaarheid en scholing
De Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden (MDIEU) loopt af. Het laatste aanvraagtijdvak is gesloten; in 2027 volgen nog nabetalingen. De resterende middelen worden vanaf 2027 ingezet voor een nieuwe Duurzame Inzetbaarheidsagenda. De inhoud en toegankelijkheid daarvan moeten nog worden uitgewerkt.
Bij de SLIM-regeling wordt in 2026 circa 11 miljoen euro ingezet als dekking voor andere uitgaven. Tegelijkertijd staat vanaf 2028 jaarlijks 100 miljoen euro voor leven lang ontwikkelen op de Aanvullende Post. Die reservering moet nog worden vertaald naar concrete maatregelen. Werkgevers kunnen deze middelen dus nog niet als beschikbare subsidie meenemen in hun opleidingsbegroting.
Voor re-integratie is vooral de aansluiting tussen scholing, belastbaarheid en arbeidsmarktperspectief van belang. Bij langdurige uitval kan ook het oorspronkelijke werk door technologische ontwikkelingen veranderen. Scholing verdient daarom een plaats in de afweging tussen terugkeer in eigen of aangepast werk en herplaatsing, inclusief spoor 2.
Voor Individuele Plaatsing en Steun (IPS) verschuift ongeveer 6 miljoen euro van 2027 naar 2028 en 2029, passend bij de cohortverdeling. Bij het Sociaal Innovatiefonds gaat 4,5 miljoen euro van 2026 naar latere jaren. Het betreft kasschuiven, geen aangekondigde beëindiging van deze instrumenten voor arbeidsparticipatie en een inclusieve werkvloer.
Zelfstandigen en ondernemerschap vanuit arbeidsongeschiktheid
De troonrede kondigt een nieuwe zelfstandigenwet aan die duidelijkheid moet bieden over zelfstandig ondernemerschap en schijnzelfstandigheid. Dit raakt zowel zelfstandig werkende casemanagers als hun opdrachtgevers. De verdere uitwerking is bepalend voor de gevolgen voor de inzet van zzp’ers.
Daarnaast stelt het kabinet voor de fiscale startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid af te schaffen. Voor trajecten waarin ondernemerschap een re-integratieroute is, moet dit worden betrokken bij de financiële haalbaarheid. De precieze invoering en het overgangsrecht vragen nog om toetsing aan de uiteindelijke wetgeving.
Aftrek specifieke zorgkosten vervalt
Het kabinet stelt voor de aftrek voor specifieke zorgkosten af te schaffen. Via deze fiscale regeling kunnen bepaalde zorgkosten die niet op een andere manier worden vergoed onder voorwaarden van het belastbaar inkomen worden afgetrokken. Het budgettaire effect van de afschaffing is vanaf 2028 ingeboekt. Deze wijziging kan daarmee de besteedbare inkomenspositie van chronisch zieken en arbeidsongeschikten raken, naast ontwikkelingen in hun uitkering.
Behandelcapaciteit en ondersteuning van mantelzorgers
Het kabinet neemt niet alle door het Capaciteitsorgaan geadviseerde opleidingsplaatsen voor GZ-psychologen over voor de periode 2027 tot en met 2030. Dit levert binnen de begrotingsperiode cumulatief 66,1 miljoen euro aan budgettaire ruimte op. De gevolgen voor wachttijden zijn daarmee nog niet vastgesteld, maar de keuze is relevant voor de toekomstige behandelcapaciteit en de aansluiting tussen zorg en re-integratie bij psychische klachten.
Preventie krijgt in de troonrede een nadrukkelijke plaats. De begroting bevat onder meer middelen voor medische preventie en cumulatief 30 miljoen euro voor een landelijk ondersteuningsprogramma voor mantelzorgers. Voor duurzame inzetbaarheid is vooral de verbinding met werkende mantelzorgers relevant. De middelen betreffen ondersteuning; er wordt hiermee geen nieuwe verlofaanspraak aangekondigd.
Wajong en IOW
Tussen 2026 en 2031 stijgen de Wajong-uitkeringslasten beperkt, terwijl de re-integratiemiddelen op het betreffende artikel met circa 12 miljoen euro dalen. Daarnaast vermeldt de begroting dat vanaf 2030 geen nieuwe IOW-uitkering, de inkomensvoorziening voor oudere werklozen, meer kan worden aangevraagd. Dat vraagt aandacht in meerjarige inkomensscenario’s voor oudere werklozen.
Werken met een arbeidsbeperking
Het eerder voorgenomen aparte arbeidsongeschiktheidscriterium voor werknemers die met loonkostensubsidie werken, wordt niet ingevoerd. Het criterium zou voor deze groep tot een strengere toegang tot de WIA leiden dan voor andere werknemers en is daarmee volgens de begroting in strijd met het VN-verdrag Handicap. Ook bleek geen passend en uitvoerbaar alternatief te ontwikkelen. Deze werknemers blijven daardoor onder het algemene WIA-criterium vallen. Voor casemanagers voorkomt dit een afzonderlijk beoordelingsregime voor deze groep.
Tegelijk werkt het kabinet aan een nieuwe banenafspraak waarin de ondersteuningsbehoefte van mensen met een arbeidsbeperking centraler moet komen te staan dan de uitkering die zij ontvangen. Ook is aangekondigd dat de doelgroep wordt verbreed met mensen met een WIA- of WW-uitkering die door hun arbeidsbeperking niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen. Voor werkgevers en casemanagers kan dit het instrumentarium bij werkhervatting en plaatsing verruimen. De precieze uitwerking volgt nog.
Betekenis voor de casemanagementpraktijk
De Miljoenennota geeft de financiële en beleidsmatige koers van het kabinet voor de komende jaren weer, maar niet alle aangekondigde maatregelen staan daarmee vast. Voor verschillende wijzigingen is nog wetgeving nodig en kunnen de Tweede en Eerste Kamer het voorstel nog wijzigen of verwerpen. Ook kunnen ingangsdata, overgangsregelingen en de precieze uitwerking tijdens het wetgevings- en uitvoeringsproces veranderen. Daarnaast zijn sommige bedragen in de begroting reserveringen voor beleid dat nog nader moet worden ingevuld. De bedragen en maatregelen in deze Prinsjesdagsstukken moeten daarom worden gelezen als de stand van zaken op 15 september 2026 en niet als definitieve wet- en regelgeving.
De RNVC blijft de ontwikkelingen rond de WIA, WW, compensatie van de transitievergoeding, werkgeverslasten, de uitvoering door UWV en de bredere hervorming van de sociale zekerheid op de voet volgen. Zodra plannen verder worden uitgewerkt en duidelijk wordt wat deze concreet betekenen voor casemanagers, werkgevers en werknemers, zullen wij onze leden hierover informeren.
Verantwoording en bronnen
Deze samenvatting beschrijft de plannen en ramingen van 15 september 2026. De duiding voor de beroepspraktijk is een redactionele analyse, geen formeel vastgesteld RNVC-standpunt.
De geraadpleegde primaire bronnen zijn hieronder rechtstreeks te openen.
- Bijlagen bij de Miljoenennota 2027
- Advies Raad van State en septemberrapportage 2026
- Visuele samenvatting Miljoenennota 2027
- Toespraak minister Heinen bij aanbieding Miljoenennota 2027
- Prinsjesdag 2026 en welvaart opnieuw verdienen
- Troonrede 2026 via het Koninklijk Huis
- Feitelijke vragen over het coalitieakkoord en de budgettaire tabel
- Aanvullende informatie sociaal-medisch beoordelen
- Voorjaarsnota 2026: aanvullende begroting SZW
- Nieuwe banenafspraak voor mensen met een arbeidsbeperking
